Voegwerken


Het nut van voegwerk.

Metselwerk wordt traditioneel na het metselen gevoegd. Dat doet men om: overmatige waterindringing tegen te gaan en het metselwerk het gewenste uiterlijk te geven.

Om er zeker van te zijn dat het voegwerk deze functies gedurende lange tijd kan vervullen, zijn er voeghardheidsklassen vastgesteld. De voeghardheid wordt gemeten met een voeghardheidsmeter. De meetmethode is beschreven in CUR-Aanbeveling 61 "Het voegen van metselwerk".

Hardheid van de voeg:

Er wordt gewerkt met de volgende voeghardheidsklassen:


• VH15 : voeghardheid 15 tot en met 24
• VH25 : voeghardheid 25 tot en met 34
• VH35 : voeghardheid 35 tot en met 44
• VH45 : voeghardheid groter dan 45 

De laagste kwaliteit is alleen toepasbaar voor voegwerk dat nauwelijks wordt belast.
De onderstaande tabel geeft een overzicht van aanbevolen toepassingen:

Toepassingsklasse voorbeelden Toepasbare voeghardheid
I

waterkerend werk
werk niet afgeschermd tegen weer en wind, sterk verwerende omstandigheden

werk hoog mechanisch belast

- Kade- en grondkeringsmuren VH 45
- horizontale metselwerk inclusie de bovenkant van niet afgedekt metselwerk, schoorstenen en bovendaks metselwerk
- metselwerk waarbij afstroming van hemelwatermoet worden verwacht (ongunstige detaillering en/of weinig absorberende metselsteen)
- metselwerk waarbij kans op veelvuldige bekladding bestaat
II

werk binnen, normale mechanische belasting

werk buiten, met normale vochtbelasting (niet afgeschermd tegen weer en wind) en/of normale mechanische belasting

- Metselwerk aan de tegenzijde waarbij geen afstromend regenwater wordt verwacht (gunstige detaillering en/of normaal absorberende stenen) VH35, VH45
- schoorstenen, vrijstaande muren en bovendakse muren die goed zijn afgedekt of anderzins zodanig zijn gedetailleerd dat geconcentreerd afstromen van hemelwater wordt vermeden
- metselwerk waarbij de kans op veelvuldig bekladden gering is
III

werk binnen, wel eisen (geringe mechanische belasting)

werk buiten, geringe vochtbelasting (afgeschermd tegen weer en wind) en/of geringe mechanische belasting

- binnen, inclusief publieke ruimten onder afdak VH25, VH35, VH45
- in tunnels, met uitzondering van voetgangers/fietstunnels deze vallen onder klasse II
- metselwerk aan de niet regenzijde waar geen bekladding wordt verwacht
- aan de regenzijde, echter gehydrofobeerd en waar geen bekladding wordt verwacht
IV

werk binnen, geen eisen ( te verwaarlozen mechanisme belasting)

- binnen, maar niet in publieke ruimten VH15, VH25,
VH35, VH45
- gangen met schroblint
 
Hogere kwaliteit voegwerk
Een hogere kwaliteit voegwerk kan worden bereikt door:
• In de voegmortel meer bindmiddel (cement en/of kalk) te gebruiken;
• Het voegwerk beter te verdichten;
• Meer zorg te besteden aan voorbehandeling van de muur en nabehandeling van het voegwerk (voor- en nanatten).
Over het algemeen zal een combinatie van deze maatregelen worden ingezet. Door de extra zorg is voegwerk van klasse VH35 en VH45 aanmerkelijk duurder dan voegwerk van klasse VH25.
Uit oogpunt van arbeidsomstandigheden wordt voor voegwerk van klasse VH35 en VH45 mechanisch verdichten aanbevolen. Dat wil zeggen dat het voegwerk nadat het met de hand is ingezet, met een trillend voegijzer wordt verdicht.

Bij het voegen kan een keuze worden gemaakt uit een groot aantal voegtypen. Op basis van de ligging van het zichtvlak van de voeg ten opzichte van het zichtvlak van de steen worden de voegtypen onderverdeeld in:
• Uitpuilende voeg : zichtvlak van de mortel ligt voor het dagvlak van de steen
• Vol voegwerk : zichtvlak van de mortel strookt met het dagvlak van de steen
• Terugliggende voeg : zichtvlak van de mortel ligt achter het dagvlak van de steen.
 
Overzicht voegtypen en kenmerken
Voegtype Kenmerken
Uitpuilend Voegtype bolgeklopt iets uitpuilend bol en ruw
knipwerk het dagvlak van de voeg ligt voor het dagvlak van de steen
Volvoegwerk geborsteld ruw, streken duidelijk zichtbaar
gekamd ruw, streken meer of minder zichtbaar
dichtgestreken glad
snijwerk glad, mortel tweezijdig van facetkantje voorzien
Terugliggend voegtype vlak evenwijdig aan dagvlak steen
hol vol of iets verdiept, hol over voegbreedte
scherp vol of iets verdiept over voegbreedte; driehoekig naar binnen
schaduw lintvoeg schuinweglopen vanaf voorkant onderliggende steen

Elk voegtype heeft uiteraard zijn eigen techniek van aanbrengen. Ook bij de samenstelling van de voegmortel moet rekening worden gehouden met het te maken voegtype. Voor knipwerk wordt ander zand en meer bindmiddel gebruikt dan bijvoorbeeld bij een geborstelde voeg. Het voegtype bepaald ook in zekere mate de haalbare voeghardheidsklasse.

1. Bij dit voegtype bestaat grote kans op oppervlakkig verbranden, waarna de toplaag bij aanraking afzandt (ruizelt)
2. Bij handmatige verdichting
3. Bij mechanische verdichting
4. Bij mechanische verdichting met verhoogd bindmiddel gehalte is klasse VH45 mogelijk
5. Snij- en knipwerk danken hun hoge kwaliteit aan de combinatie van het hoge bindmiddelgehalte en de zorg die aan dit type voegwerk besteed moet worden

Voor het bereiken van de vereiste voeghardheid dient ook het metselwerk aan een aantal voorwaarden te voldoen:

• Goede uitkrabdiepte
De metselmortel moet zo diep zijn uitgekrabd dat een vierkante voegruimte ontstaat. Bij een voegbreedte van 12 mm moet platvol werk dus 12 mm diep worden uitgekrabd. Bij voegwerk dat 5 mm verdiept wordt uitgevoerd, moet in dit geval met een uitkrabdiepte van 17 mm worden gewerkt. Na het uitkrabben moet de voorzijde van de metselmortel valk zijn en de stenen moeten vrij zijn van zogenaamd "tandvlees".

• Stootvoegen goed gevuld met metselspecie
Als de stootvoegen niet goed met metselmortel zijn gevuld, is het voor de voeger haast ondoenlijk om de stootvoegen goed te verdichten.


Van de metselaar mag verder worden verwacht dat hij de metselmortel achter de profielen doorsteekt en het metselwerk vrij van smet oplevert.

In de nieuwbouw wordt voor het voegwerk meestal een gekamde of dichtgestreken platvolle voeg of licht verdiept voegwerk voorgeschreven. Als men het metselwerk meer wil laten spreken wordt bij ook wel schaduwwerk of een dudokvoeg toegepast. Bij een dudokvoeg worden de stootvoegen (de verticale voegen tussen de stenen) platvol uitgevoerd en de lintvoegen (de horizontale voegen) sterk verdiept. Bij zeer luxe nieuwbouw wordt soms knip- of snijwerk voorgeschreven